De dwaze schelpenraper van het Zuid-Hollandse strand
In de jaren dertig van de vorige eeuw leefde er in een badplaats op de Z.H. Eilanden een jochie die zich altijd vreemd gedroeg. Ze noemden hem gekke of malle Koosje en zijn achternaam was de Smet. Koosje de Smet had een afwijking en hij gedroeg zich niet zoals alle anderen kinderen. Hij was altijd een beetje vreemd; maar soms wel heel verwarrend en met veel onbegrepen gedrag.
Koosje stond bekend om alle schelpen die op het strand lagen terug te werpen in de zee. Hij deed niets anders en had er altijd zin in. Hij pakte een schelp en gooide die de zee in, en even later weer een schelp en bleef maar gooien. Hij juichte daarbij en soms een schreeuw van; die dingen horen niet op het strand, maar in de zee. Zo ging het de zomer, de winter en jaar in en jaar uit maar door. Op een dag kwam er een heer op het strand die bekend stond als de burgemeester. Toen der tijd hadden alle kleine plaatsjes nog een burgemeester en voor de bevolking stond deze in hoog aanzien. Koosje was weer druk met het verzamelen van schelpen en gooide de een na de ander weer in zee en had niet in de gaten dat de burgemeester er aankwam.
De naam van de burgemeester was van Rotsenburg. Toen Koosje plotsklaps de burgemeester zag verblikte en bloosde hij heel even, want dat was wel een bijzondere hoogstaande man.
De burgemeester vroeg nieuwsgierig aan Koosje wat hij aan het doen was. "Waarom maak je je zo druk om die schelpen" vroeg de burgemeester op een vriendelijke toon. "Maar meneer...meneer ... Koosje stotterde even; het gaat alleen maar om deze schelp antwoordde Koosje. "Kijk!" hij pakte weer een schelp en gooide deze zeker tien meter de zee in en Koosje zei: "Zelfs deze schelp is toch óók geholpen." De burgemeester wandelde weer verder en Koosje ging door met het schelpen verzamelen.
Van af dat moment ging er iets vreemds met Koosje gebeuren. 15 jaar later na de 2e wereldoorlog begin jaren 50 ging burgemeester van Rotsenburg benzine tanken bij het nieuwe tankstation. Een flink uit de kluiten gewassen man met een witte overall kwam uit het wit geelrood omrande hokje naar buiten gelopen en pakte een slang uit een benzine pompsysteem. "Goede morgen mijnheer de burgemeester" zei de pompbediende en vroeg "moet ik hem helemaal volgooien". "Doe dat maar, zei de burgemeester". Er ging zeker 60 liter in de Citroën Traction Avant. Toen na 5 minuten de tank vol was dat duurde erg lang in die tijd, stond de teller op de pomp met zwarte cijfertjes op FL 13,51 en de tank was nu vol. "Moet het olie pijl ook nog even nagekeken worden" vroeg de benzinepomp bediende? " Niet nodig! ...jongsleden nog gebeurd" antwoordde de burgemeester.
Met wat piepend geluid werd met spons en zeem de voorruit van de Citroën schoongemaakt. Dat hoorde zo in die tijd. Toen de ramen schoonwaren vroeg de pompbediende heel beleefd "moet ik het op de rekening van de gemeente zetten?" het is dertien gulden en eenenvijftig cent". "Verrek zei de burgemeester... Nu zie ik het pas, dat is Koosje van vroeger... Maar nu zeg ik toch Koos". "Wat is dat een benzinepompbediende; wat knap van je dat je hier werkt." Koos moest even glimlachen. "Koos dit gaat niet op de rekening, ik rij privé vandaag." De burgemeester pakte 4 papieren rijksdaalders, 3 losse guldens en twee kwartjes en een cent om te betalen en overhandigde dit aan Koos. En daarna haalde hij nog een muntstuk uit zijn portemonnee en zei: Koos dit dubbeltje is voor jou omdat je zo goed je best doet." Maar burgemeester antwoorde Koos "dat hoeft toch helemaal niet, ik verdien geld." "Koos pak dat dubbeltje nou maar aan zei de burgemeester, want net als die schelpen die je vroeger in zee gooiden is dat dubbeltje toch óók geholpen." En Koos pakte het dubbeltje aan en bedankte de burgemeester.
De Citroën reed weg en Koos ging vol goede moed in het wit geelrood omrande hokje zitten met een grote witte schelp aan de gevel.
Schrijver: Kees van Dorsser